“Jabberwocky” vertalingen.

21 november 2011 § Een reactie plaatsen

’t Was bradig en de slijp’le torfs
Driltolden op de wijde weep:
Misbrozig stonden borogorfs,
’t Verdoolde grasvark schreep.

‘Mijn zoon, vrees de Krakelwok!
Zijn kakement, zijn grepe klauw!
Vrees ook de Jubjub-vlerkenbrok,
De gritse Bandjegauw!’

Hij nam ’t vorpalen zwaard ter hand:
Lang zocht hij naar het manxaam vod–
Toen, rustend bij de Ploemploemplant,
Bepeinsde hij zijn lot.

Zo, nijvig peinzend, stond hij daar,
Toen Krakelwok, zijn oog vol vlam,
Door het rapuinhout blaaide, zwaar
Burbelend waar hij kwam!

Hup één! Hup twee! Het scherp vorpaal
Hieuw kriskras en met luid gedruis!
Het beest lag dood; hij, galomfaal,
Reed met de kop naar huis.

‘Hebt gij de Krakelwok geveld?
O heugle dag! Hoezee! Hoezot!
Omhels mij, zoonlief, brale held!’
Hij gnorde van genot.

’t Was bradig en de slijp’le torfs
Driltolden op de wijde weep:
Misbrozig stonden borogorfs,
’t Verdoolde grasvark schreep.

of

’t Wier bradig, en de spiramants
Bedroorden slendig in het zwiets:
Hoe klarm waren de ooiefants,
Bij ’t bluifen der beriets.

Pas op de Wauwelwok, mijn kind!
Zo scherp getand, van klauw zo wreed!
Zorg dat Tsjoep-Tsjoep je nimmer vindt,
Vermijd de Barbeleet.

Hij nam zijn gnijpend zwaard ter hand:
Lang zocht hij naar den aarts-schavoest
Maar nam rust in lommers lust
Op een tumtumboomknoest.

En toen hij zat in diep gedenk,
Kwam Wauwelwok met vlammend oog,
Dwars door het bos met zwalpse zwenk,
Sluw borbelend wijl hij vloog.

Eén, twee! Hup twee. En door en door
Ging kler de kling toen krissekruis.
Hij sloeg hem dood en blodd’rig rood
Bracht hij het tronie thuis.

Hebt gij versnaggeld Wauwelwok?
Kom aan mijn hart, o jokkejeugd!
O, heerlijkheid, fantabeltijd!
Hij knorkelde van vreugd.

’t Wier bradig, en de spiramants
Bedroorden slendig in het zwiets:
Hoe klarm waren de ooiefants,
Bij ’t bluifen der beriets.

of

Het schiewert en de glappe muik
Graffelt zich in de vijchten
Maar heel sloef was de rontelguik,
En strave woelen krijgten.

‘Hoed voor de Koeterwaal je, zoon!
Zijn scherp gebit, zijn reuzenzwaai!
Vermijd het Dubdubdier, verschoon
De glurieuze Beffesnaai!’

Hij nam zijn worpel zwaard ter hand
En speurde bij de Plingplongboom,
Maar niemand bood hem tegenstand,
En zo stond hij in kroom.

In ruffig denken trof hem daar
De Koeterwaal, met vlammend oog,
Die zwingend door het groene vlaar
Hem worvelend bevloog.

Daar ging zijn zwaard: van hup en hop,
Van zig en zag en zoef!
Dood bleef het monster–en de kop
Keek wel een beetje droef.

‘Is hij ontzield, de Koeterwaal?
Werp aan mijn borst u, lieve deugd!
O kostbaarlijke dag! Kaneel! Kanaal!’
Hij gnuivelde van vreugd.

Het schiewert en de glappe muik
Graffelt zich in de vijchten
Maar heel sloef was de rontelguik,
En strave woelen krijgten.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Wat is dit?

Je leest nu “Jabberwocky” vertalingen. voor Stephanie Jacobs - Illusion..

Meta

%d bloggers liken dit: